Verbrandingsmarkt in evenwicht

Recycling profiteert van import brandbaar afval

Artikel - 09 september 2015

De verbrandingsmarkt komt tot rust. De beschikbare capaciteit wordt - mede dankzij import - benut, de tarieven zitten in de lift en continuïteit lonkt. Recycling is hierbij gebaat, al vrezen recyclebedrijven de buitenlandse concurrentie. Afvalenergiecentrales vinden de tijd rijp voor langetermijncontracten voor residustromen uit de recycling.

Door Addo van der Eijk ©Copyright

De Nederlandse verbrandingsmarkt lijkt in evenwicht. Na een onstuimige groeiperiode - waarin de verbrandingscapaciteit snel toenam, er restcapaciteit ontstond en prijzen kelderden - zijn vraag en aanbod nu in balans. De ovens zitten weer vol, mede dankzij de import van Europees brandbaar restafval. “In Nederland komt circa 6 miljoen ton brandbaar restafval vrij”, rekent Jasper de Jong, commercial director bij AVR, voor. “De verbrandingscapaciteit bedraagt 7,7 miljoen ton. Het verschil, circa eenvijfde van de capaciteit, vult de branche momenteel in met import, voornamelijk uit het Verenigd Koninkrijk.” De balans doet de prijzen stijgen. “De lage prijs van twee jaar geleden was niet duurzaam. We werken nu toe naar een stabiel prijsniveau”, legt De Jong uit.

Lees meer »

Stabiliteit verbrandingsmarkt

Elbert Dijkgraaf, SGP-Tweede Kamerlid en hoogleraar economie aan de Erasmus Universiteit, juicht de huidige stabiliteit toe. “De lage prijzen waren niet alleen een ramp voor aandeelhouders en eigenaren, maar ook voor de recycling. Hoe hoger de verbrandingstarieven, hoe lager de prikkel om - ondanks de verboden - toch wegen te zoeken om recyclebare stromen te verbranden.” Max de Vries, directeur van BRBS Recycling, sluit zich daarbij aan: “Daarom waren wij voorstander van het importeren van buitenlands afval. Import vergroot de vijver, verhoogt de prijzen en zet de Ladder van Lansink weer enigszins rechtop. Aan de voorzijde wordt het voor de afvalontdoener interessanter recyclebaar afval naar de recycler te brengen”, zegt hij. “Natuurlijk wordt het residu van recyclinginstallaties dat verbrand moet worden ook duurder. Dat de sportmarkt duurder uit is, is inherent aan het marktmechanisme.”

In Nederland komt circa 6 miljoen ton brandbaar afval vrij, terwijl de verbrandingscapaciteit 7,7 miljoen ton bedraagt. Het verschil vult de branche met import.

Verdringen residuen

De Vries maakt zich enige zorgen. Hij heeft namelijk de indruk dat residustromen uit de Nederlandse recycling door de import worden verdrongen. AEC’s zouden volgens hem een lichte voorkeur hebben voor buitenlandse afval. “Verbranders moeten zich in de eerste plaats verantwoordelijk voelen voor Nederlands afval. Het zou gek zijn om ons eigen afval over grote afstanden te transporteren, terwijl verbranders buitenlands restafval importeren.”

Langetermijncontracten

De Jong van AVR herkent zich niet in een voorkeur voor import. Residustromen van recyclingbedrijven en sorteerders kunnen volgens hem altijd bij AEC’s terecht. “Wij maken geen onderscheid tussen aanbieders van restafval”, zegt hij. Wel kiest de verbrandingsmarkt, zoals alle ondernemers, graag voor continuïteit, dus voor contracten voor de langere termijn. De Jong ziet in de huidige stabiliteit een kans. “Voor een langetermijncontract is altijd ruimte. In een markt met langetermijncontracten weten alle partijen - verbranders én recyclers - waar ze aan toe zijn. De circulaire economie vergt de komende jaren grote investeringen. Ik ben ervan overtuigd: meer zekerheid creëert innovatiekansen, juist voor de recycling.” Econoom Dijkgraaf ziet langetermijncontracten als onvermijdelijk. “Eerder zaten verbranders te springen om materiaal. Die tijd is voorbij. In een volwassen markt vind ik het onverstandig om afhankelijk te zijn van een spotmarkt. Recyclers moeten tijdig contracten afsluiten voor de langere termijn. Je kan niet van verbranders verwachten dat ze in een vrije markt structureel capaciteit vrijhouden.”

Uitbreiding verbrandingscapaciteit
Inmiddels ligt een plan op tafel om de Nederlandse verbrandingscapaciteit uit te breiden. EEW Energy from Waste overweegt een uitbreiding van de Waste to Energy (WtE)-plant in Delfzijl. Tweede Kamerlid Elbert Dijkgraaf heeft bedrijfseconomisch begrip voor dit voornemen. Vanuit maatschappelijk perspectief stelt hij: “Sluit regionale kringlopen en bouw installaties waar het afval vrijkomt, dus in het buitenland. Zet daarbij als BV Nederland de kennis en ervaring in als export-product. Maar uiteindelijk is de keuze aan de markt.” Max de Vries van BRBS Recycling vreest een volgende molensteen. De uitbreiding draait een kwart eeuw, en al die tijd heeft het aanvoer nodig. “Afval dichtbij aantrekken blijft toch het goedkoopste. In landen als Duitsland en Zweden verrijzen reeds nieuwe verbranders. Ook zij lopen tegen een overcapaciteit aan. Beter is om de Nederlandse verbrandingscapaciteit af te bouwen. Uitbreidingen van noodzakelijke eindverwijderingsfaciliteiten moet je daar doen waar het afval vrijkomt.” Jasper de Jong van AVR is vanuit Nederlands perspectief geen voorstander van uitbreiding van de capaciteit. “Uitbreiding zal niet voor binnenlands afval zijn. Dat neemt immers af. Maar op Europese schaal is er duidelijk een tekort aan hoogwaardige verwerkingscapaciteit om het ombuigen van het storten van restafval te realiseren. Zo werken we gezamenlijk aan de realisatie van de Europese circulaire economie.”

Dynamische markt

De Vries van BRBS Recycling heeft bedenkingen. De recente historie wijst volgens hem uit hoe dynamisch en grillig de verbrandingsmarkt kan zijn. “De toekomst blijkt moeilijk voorspelbaar. Gemeenten die in het verleden langetermijncontracten afsloten, zagen later andere gemeenten veel lagere tarieven betalen. Recyclingbedrijven opereren in een jonge en hectische markt. Ook voor de afzet van grondstoffen krijgen ze geen contracten voor jaren.”

AEC’s in circulaire economie

AEC’s vormen een cruciaal puzzelstuk in de Nederlandse recycling- en afvalinfrastructuur. Verbranden blijft nodig, ook in een circulaire economie. “Er zullen altijd stromen blijven bestaan, die niet te recyclen zijn”, zegt Dijkgraaf. Verbranden en recyclen kunnen niet zonder elkaar, vult De Jong aan. Hij noemt ze zelfs complementair. “Stoorstoffen uit de recycling, vaak met een verontreiniging, haalt de verbrandingsmarkt uit het milieu. De verbrandingsmarkt maakt op deze manier zuivere recycling mogelijk. Daarnaast halen AEC’s zelf zoveel mogelijk waarde uit het afval, in de vorm van duurzame energie en grondstoffen. Uit AEC-bodemas weten we bijvoorbeeld steeds meer grondstoffen als metalen te recyclen.”

AEC’s halen zoveel mogelijk waarde uit afval, in de vorm van duurzame energie en grondstoffen.

Hoogwaardig opwerken

De Jong verwijst naar de Green Deal Bodemas, een afspraak uit 2012 met de overheid om bodemas hoogwaardig op te werken. “In 2020 gaan we al het materiaal afzetten als vrij toepasbare bouwstof. Het is onbegrijpelijk dat de door AEC’s teruggewonnen grondstoffen momenteel niet meetellen in de realisatie van de VANG-doelen.” AEC’s dragen ook fors bij aan de Nederlandse duurzame energievoorziening. Ze leveren duurzame elektriciteit en diverse centrales weten hun restwarmte nuttig af te zetten in de omgeving.
Ook De Vries ziet een blijvende functie voor verbranders weggelegd, maar wel als achtervang. “Verbranden blijft, net als storten, nodig”, zegt hij. Residustromen uit de recycling ziet hij overigens nu en in de toekomst meer en meer afbuigen richting kalk- en cementovens of energiecentrales. “Daar worden ze als secundaire brandstof ingezet.”

Europese markt

Naar verwachting blijven de ovens structureel gevuld. En dat terwijl de Nederlandse aanvoer de komende jaren onherroepelijk zal slinken. Het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) ambieert immers het storten en verbranden in Nederland binnen tien jaar te halveren. De Europese markt kan deze afname compenseren. De Jong: “De verbrandingsmarkt opereert in een Europese markt. Binnen Europa kunnen we als BV Nederland groeien. In Nederland lopen we voorop. We zijn hier verschrikkelijk goed in het terugwinnen van grondstoffen en energie uit afval. Maar elders in Europa wordt nog jaarlijks voor circa 70 miljoen ton huishoudelijk afval gestort. Onze AEC’s kunnen andere landen helpen om de transitie van storten naar recycling te maken. Import draagt bij aan het versnellen van de Europese circulaire economie.”

Import blijvend

De Jong ziet de import als blijvend. Hij verwacht dat de buitenlandse aanvoer zal groeien naar 2 tot 3 miljoen ton. De transportdrempel blijkt laag, zeker vanuit milieuoogpunt. “De CO2-footprint van import inclusief transport is zelfs gunstiger dan het storten van brandbaar afval in het land van herkomst. Onze AEC’s produceren energie met een hoog energetisch rendement en winnen grondstoffen terug uit het restafval. Voor de logistiek maken we slim gebruik van retourstromen en vervoer over water. En vergeet niet dat voor het Engelse Norfolk Rotterdam logistiek gezien dichterbij ligt dan London.” Dijkgraaf ziet geen verschil tussen transport van ‘in China gemaakt speelgoed’ en ‘buitenlands afval’; beide zijn volgens hem goederen in een vrije markt met open grenzen.

"Ik zie geen verschil tussen transport van ‘in China gemaakt speelgoed’ en ‘buitenlands afval’."
Elbert Dijkgraaf - SGP-Tweede Kamerlid
"Binnen Europa kunnen we als BV Nederland groeien."
Jasper de Jong - AVR
"Import vergroot de vijver, verhoogt de prijzen en zet de Ladder van Lansink weer enigszins rechtop."
Max de Vries - BRBS Recycling