Tweede leven van oude kleren

Sluiten van de textielkringloop

Artikel - 26 juni 2013

Hergebruik heeft de wind mee. Terwijl Brussel de recyclingdoelen opschroeft, en de waarde van secundaire grondstoffen alom wordt geprezen, maakt Nederland zich sterk om een centrale rol te vervullen als grondstoffenrotonde. Het momentum is er. Elke afvalstroom bewandelt een ander pad naar een meer hoogwaardige verwerking. In deze serie brengt afvalforum telkens een stroom in beeld. Aflevering 3: textiel.

Door Han van de Wiel

In Haaksbergen, in het oude textielhart van Nederland, verscheurt een grote machine van het bedrijf VAR|Frankenhuis textielafval tot vezels. Kledingresten, snijresten uit de tapijtindustrie, bedrijfskleding, garens en zelfkanten uit spinnerijen en weverijen; alles wordt tot afzonderlijke vezels uiteengerafeld en in balen geperst. Ritsen, knopen en andere ongerechtigheden zijn vooraf machinaal verwijderd. Jaarlijks produceert dit bedrijf tienduizend ton vezels uit gebruikte kleding en industrieel snij-afval. Het procedé is in Nederland uniek. In Europa bestaan slechts een paar collega-bedrijven.

Lees meer »

De vezels van VAR|Frankenhuis worden voornamelijk laagwaardig verwerkt in onder meer de auto-industrie, voor drainagedoeleinden en als vilt. “Het liefst laten we de vezels hoogwaardiger verwerken, bij voorkeur als garens voor de kledingindustrie”, zegt directeur Peter Bos. “In dat geval moet - net als in de papierindustrie - ongeveer de helft virgin vezel worden toegevoegd om een goede kwaliteit garen te houden. Op kleine schaal gebeurt dat al. Hoewel de hoeveelheid toeneemt, staat deze hoogwaardige toepassing nog in de kinderschoenen. Zo’n negentig procent wordt laagwaardig verwerkt, tien procent hoogwaardig.”
Bos heeft vertrouwen in de toekomst van het bedrijf, waar vijftien mensen werken plus een aantal oproepkrachten. “Wereldwijd stijgt de vraag naar vezels met vier tot vijf procent per jaar. De productie van virgin vezels blijft daarbij achter. Er ontstaat dus schaarste.” Bedrijven als die van Bos zouden enorm worden geholpen als kledingontwerpers en -bedrijven meer rekening hielden met de afvalfase van textiel. Dat gebeurt nog nauwelijks, stelt Bos. Veel kleding bestaat volgens hem uit samengestelde materialen. “Dan zit er een fluorescerende pvc-band op een uniform gestikt. Of staan de wasvoorschriften op kunststoffolie, die machinaal bijna niet te verwijderen is.”
Het gebrek aan aandacht bij ontwerpers en kledingbedrijven is tekenend voor de stiefmoederlijke behandeling die textiel ten deel valt in de afvalfase. De grondstoffenrotonde draait bepaald niet lekker. Jaarlijks komt ongeveer 210 kton textiel van Nederlandse huishoudens in het inzamelcircuit terecht. Slechts een derde deel daarvan, 75 kton, wordt gescheiden ingezameld. De rest, 135 kton, zit in het restafval en komt terecht in de ovens van afvalenergiecentrales. Met een optimale scheiding zou daarvan 65 procent geschikt zijn voor hergebruik. Naast het huishoudelijk textiel komt jaarlijks 30 kton bedrijfskleding in de afvalfase. Meestal wordt bedrijfskleding vertrouwelijk vernietigd, omdat bedrijven geen reputatieschade willen oplopen. Stel je voor dat een politie of ambulancebroeder-uniform in verkeerde handen valt. Bedrijven als VAR|Frankenhuis zijn gecertificeerd om bedrijfskleding vertrouwelijk te ‘vervezelen’.

Vechtmarkt

De meeste afgedankte kleding wordt ingezameld door charitatieve organisaties en kringloopbedrijven. Sinds gebruikte kleding geld oplevert, roeren ook commerciële bedrijven zich op de markt. Dat zorgt voor onrust. “Het is, helaas, een vechtmarkt geworden”, zegt directeur Marc Vooges van Humana. Humana behoort met KICI, ReShare en Sam’s Kledingactie tot de vier charitatieve instellingen die gebruikte kleding inzamelen. Twintig jaar geleden was de kledinginzameling nog volledig in handen van charitatieve instellingen, nu is het marktaandeel nog ongeveer 55 procent. Kringloopbedrijven - soms commercieel, soms sociale werkplaatsen - hebben een kwart van de markt in handen en commerciële bedrijven als Van Gansewinkel en SITA de overige twintig procent.
Van de kleding die charitatieve instellingen inzamelen wordt na sortering ongeveer zestig procent als tweedehands kleding verkocht in ontwikkelingslanden - met name Afrika - en landen in Oost-Europa. Twintig procent is nog geschikt om er poetsdoeken van te maken en dertien procent wordt gebruikt als grondstof voor isolatiemateriaal of vulling voor autostoelen. Wat overblijft, zeven procent, gaat naar afvalenergiecentrales.
Naast het behalen van inzamel- en recyclingdoelen hebben gemeenten ook een financieel belang bij het verminderen van het restafval van hun inwoners. Hoe kleiner de restfractie, des te minder ze betalen aan de afvalenergiecentrales. Vandaar dat ze proberen textiel uit het restafval te krijgen, door containers te installeren voor de inzameling. Nu gebruikt textiel in waarde stijgt, vragen steeds meer gemeenten een inzamelvergoeding. Dat doet pijn bij de charitatieve partijen. De vergoeding kan oplopen tot veertig cent per kilo. Tel daarbij de kosten voor transport en afschrijving van de container op, en de totale inzamelkosten stijgen tot 57 cent per kilo. Dat ligt net boven of onder de Nederlandse marktprijs van 55 tot 60 cent voor een kilo textiel.
Het probleem is, stelt Vooges van Humana, dat gemeenten charitatieve partijen laten meedingen in de aanbesteding voor het inzamelen. Vervolgens wordt de aanbesteding gegund aan de partij met de hoogste prijs. “We bieden allemaal tegen elkaar op. Ook wij bezondigen ons daaraan. Gevolg is dat er steeds minder geld overblijft voor de goede doelen.” Wat Vooges betreft profiteren gemeenten van de gestegen textielprijzen. “Tot een redelijk bedrag, zodat er een portie overblijft voor de goede doelen. Dat willen burgers ook, als ze de keuze krijgen. Maar sommige gemeenten zijn blind voor de wensen van hun inwoners.”

Van de kleding die charitatieve instellingen inzamelen wordt na sortering ongeveer zestig procent als tweedehands kleding verkocht in ontwikkelingslanden en landen in Oost-Europa (foto: Humana)

Grote milieudruk

De milieudruk van textiel is enorm. “We moeten dus meer textiel hergebruiken”, stelt Anton Luiken van Alcon Advies. Luiken geldt als specialist op textielgebied. De wereldwijde productie van vezels bedraagt volgens hem tachtig miljoen ton per jaar. “De twee belangrijkste stromen zijn polyester en katoen. Meestal wordt wol als derde stroom genoemd. Niet zozeer vanwege de omvang, maar omdat schapen veel grond nodig hebben en, zoals alle herkauwers, methaan uitstoten, een broeikasgas dat vijfentwintig keer sterker is dan koolstofdioxide. Voor gewone kleding is de gebruiksfase het meest milieubelastend. Dat zit hem vooral in het energieverbruik bij het wassen en drogen.”
Ook de productie van vezels is milieubelastend. Berekeningen van het Water Footprint Network - onder meer gelieerd aan de Universiteit Twente - laten zien dat voor de productie van een spijkerbroek 8.000 liter water nodig is. Een gemiddeld T-shirt kost 2.500 liter. In de droge en zonnige katoenregio’s is het waterverbruik een groot probleem. De teelt van katoen vraagt bovendien om veel bestrijdingsmiddelen. Elk T-shirt vereist 150 gram aan pesticiden. Wereldwijd gaat 8 tot 10 procent van de pesticiden naar de katoenteelt.

Green Deal

In een afvalmarkt waar bijna twee derde van het product bij het restafval belandt en waar charitatieve en commerciële bedrijven elkaar de tent uit vechten, valt nog veel verbetering te boeken. Afgelopen najaar sloten bedrijven, brancheorganisaties en de overheid een Green Deal. Doel: eind 2015 moet het aandeel textiel in restafval met de helft zijn verminderd ten opzichte van 2011. Textiel staat ook te boek als één van de zeven prioritaire stromen van het tweede Landelijk afvalbeheerplan (LAP-2). Op uitnodiging van het ministerie van Infrastructuur en Milieu werkt op het ogenblik de gehele textielketen gezamenlijk aan manieren om de milieudruk van textiel met twintig procent te verlagen in 2015. Hanneke op den Brouw ondersteunt vanuit Rijkswaterstaat Leefomgeving (voorheen Agentschap NL) het ketenoverleg voor verduurzaming van mode en textiel. Afdwingen kan ze niks, wel proberen als een scheidsrechter het speelveld te bewaken, het gemeenschappelijke belang te zoeken en partijen te helpen daaraan mee te werken. Op den Brouw: “Wij creëren ‘neutrale grond’.” Diverse projecten lopen. Zo proberen modebedrijven een kwart duurzame materialen in hun collecties te verwerken in 2015. Op het gebied van de textielrecycling wordt behalve aan textielinzameling gewerkt aan nieuwe technieken om het afgedankte textiel opnieuw als grondstof te benutten.

Consument

Een gemakkelijke opgave heeft het ketenproject niet, want de belangrijkste partij zit niet aan tafel: de consument.  Op den Brouw: “Die moeten we zo ver krijgen dat hij al zijn kleding in kledingcontainers doet. Meer nog: de consument moet bij aankoop kiezen voor duurzaamheid. Bijvoorbeeld door kleding van gerecyclede vezels aan te schaffen. Daarvoor heb je marktpartijen nodig die de gerecyclede vezels terug in de kledingketen willen brengen.”
TNS/NIPO-onderzoek wijst uit dat één op de vijf mensen geen idee heeft welke kleding wel en welke niet in de containers mag. Bovendien weten ze niet waar de containers staan. Op den Brouw: “Vandaar dat de branche binnenkort met één regel komt: lever álle textiel in, ook als het kapot en versleten is.” Rond de zomer zal die boodschap onder de aandacht van burgers worden gebracht.

Geen spijkerbroek kopen maar leasen, dat is idee achter 'Lease a Jeans' van Mud Jeans (foto Mud Jeans)

Lease een broek

Geen spijkerbroek kopen maar leasen, voor een vast, laag bedrag per maand. Begin dit jaar zag het concept ‘Lease a Jeans’ van webwinkel Mud Jeans het licht. De broeken zijn voor zeventig procent gemaakt van biologische en gerecyclede katoen en voor dertig procent van post-consumerwaste. Volgens directeur Bert van Son van Mud Jeans: “Het instapbedrag voor de broek bedraagt twintig euro, vervolgens wordt een jaar lang iedere maand vijf euro betaald. Scheuren of gaten worden gratis gerepareerd. Na die tijd mogen mensen de broek houden of terugsturen.” Ook als de broek na jaren dragen versleten is, is het de bedoeling dat de broek wordt teruggestuurd, want hij blijft altijd eigendom van Mud Jeans. De geretourneerde broeken vormen de grondstof voor nieuwe broeken, al moet daar wel de helft nieuwe katoen bij. Bij het ontwerp van de broek is rekening gehouden met hergebruik. Belangrijk daarvoor is dat zo puur mogelijk materiaal wordt gebruikt. Er zitten bijvoorbeeld geen opgestikte labels op de broek.
Volgens Van Son is het aantal klanten momenteel een paar honderd. “Meer dan verwacht”, zegt hij, “want jeans is een lastig product: hij moet goed zitten, de stof moet goed aanvoelen en de washing moet naar wens zijn. Het zijn vooral jongeren die warm lopen voor het leaseconcept. Misschien is de jeugd minder hebberig dan vaak wordt gezegd. Het is de generatie die opgroeit met de share-gedachte.” Van Son praat momenteel met banken voor financiering die nodig is om de broeken ook in winkels te verkopen.

"Het is een vechtmarkt geworden."
Marc Vooges - Humana
"Vooral jongeren lopen warm voor het leaseconcept."
Bert van Son - Mud Jeans
"Wereldwijd stijgt de vraag naar vezels."
Peter Bos - VAR|Frankenhuis