Dreigende molensteen van 300 miljoen euro

Crisis krijgt vat op nazorgfondsen voor stortplaatsen

Artikel - 26 juni 2013

De provincie Zuid-Holland verwacht dat het nazorgfonds voor stortplaatsen minder rendement oplevert dan tot nu toe gedacht. De provincie heeft de rekenrente aangepast. Als andere provincies volgen, dan moeten stortplaatsexploitanten 300 miljoen euro extra inbrengen, zonder dat ze bij het besluit betrokken zijn. Waar moet dat geld vandaan komen? ‘Je kunt geen tien liter sap uit één sinaasappel persen.’

Door Harry Perrée

Veertien miljoen euro moet Indaver mogelijk extra ophoesten voor de eeuwigdurende nazorg van de Derde Merwedehaven in Dordrecht, waar sinds de jaarwisseling niet meer wordt gestort. De provincie Zuid-Holland meent dat de geldpot, opgespaard met Indavers belasting, niet groot genoeg is voor de eeuwigdurende nazorg van de stortplaats. De provincie moet de nazorg betalen met het rendement op die spaarpot. Nu de economische crisis het rendement op beleggingen en spaargeld heeft aangetast, vreest de provincie dat ook in de toekomst de opbrengst lager zal uitvallen. Dus moet Indaver zorgen voor een dikkere spaarpot. Dat geldt niet alleen voor de Derde Merwedehaven, maar ook voor alle andere stortplaatsen in Zuid-Holland die in beheer zijn van stortplaats¬exploitanten. Jarenlang ging de provincie er vanuit dat het nazorgfonds een eeuwigdurend rendement zou hebben van 5,06 procent. Recent stelde ze de schatting bij naar 3,99 procent, zowel voor de periode tot de overdracht van de stortplaats als de eeuwigdurende periode daarna. Directeur Peter Louwman van Indaver Nederland vindt de verlaging van de rekenrente in Zuid-Holland een te gehaast ad hoc besluit. Het gaat immers om eeuwigdurende rente. “Het is de vraag of je door de paar recessiejaren die er nu zijn, gerechtvaardigd kan zeggen: ‘we moeten daarop reageren’. Het is bijzonder dat je de rentepercentages om de paar jaar gaat veranderen als je over eeuwigdurendheid praat. Wat rechtvaardigt dat? Men heeft een tijd lang ook een hoger percentage gehaald”, weet Louwman.

Lees meer »

Rug tegen muur

Voorlopig is Zuid-Holland de enige provincie die van plan is de rekenrente dermate sterk te verlagen. Provinciale Staten moeten de knoop nog doorhakken. Ook Gelderland heeft de rente verlaagd, van 5,06 naar 4,6 procent, maar daar staat tegenover dat de provincie het rendement van 4,6 procent op het huidige nazorgfonds garandeert. Stortplaatsexploitanten vrezen dat andere provincies volgen. Volgen ze allemaal het voorbeeld van Zuid-Holland en schroeven ze de rekenrente terug naar 3,99 procent, dan moeten de exploitanten samen niet 517 miljoen euro in de provinciale nazorgfondsen storten, zoals tot voor kort berekend was op basis van de laatste nazorgplannen, maar 817 miljoen euro.
Exploitanten staan met de rug tegen de muur. Terwijl de provincie zelfstandig mag besluiten over de inleg, hebben de storters geen of beperkte zeggenschap over de wijze waarop de provincies met het ingelegde geld omgaan. Bij die wijze plaatsen de exploitanten de nodige kanttekeningen. Neem het nazorgkostenmodel, dat provincies gebruiken voor de vertaling van de nazorgplannen naar de kosten. Stortbedrijven stellen dat het model zekerheid op zekerheid stapelt. Provincies kiezen volgens hen voor een te veilige weg, met hoge eenheidsprijzen, hoge posten onvoorzien en risicotoeslagen over het geheel. Edwin Versluis, hoofd Business Control van Attero, meent dat de provincies te voorzichtig zijn. Het nazorgfonds dient volgens hem vooral om bovenafdichtingen te vervangen. “Dat moet eens in de 75 jaar. Zit je daar vlak voor, en heb je genoeg geld gespaard, dan moet je wat minder beleggings¬risico nemen.” Een hoger rendement gaat namelijk samen met een hoger risico, vooral als je aandelen snel moet verkopen. Om onverantwoorde risico’s tegen te gaan geven de regels grenzen aan. De provincies zitten ver onder die grenzen. “Heb je nog een lange tijd om te sparen, dan kun je wat meer risico nemen en zo over een langere periode hogere rendementen behalen.”

Gesloten stortplaatsen hebben eeuwigdurende nazorg nodig die betaald wordt uit de nazorgfondsen (foto: Afvalzorg)

Failliet

Van de twaalf stortplaatsen van Attero zijn er acht niet meer in bedrijf. Zeker voor die groep zou het probleem groot zijn, zegt Versluis. “Je hebt gespaard voor een afgesproken bedrag en de stortplaatsen zijn inmiddels gesloten. De provincie zegt dan plotseling: ‘het bedrag waarvoor je gespaard hebt, moet omhoog.’ Omdat de stortplaatsen gesloten zijn, heb je geen enkele mogelijkheid dat extra bedrag nog terug te verdienen.”
Directeur Bert Krom van Afvalzorg is duidelijk over het verhogen van de inleg voor nazorgfondsen: “Je kunt geen tien liter sap uit een sinaasappel persen.” De provincies konden wel eens van de regen in de drup komen, waarschuwt hij. “Het risico is dat stortexploitanten failliet gaan. Dan hebben we een veel groter maatschappelijk probleem.” Want stel: de exploitant gaat halverwege de levensduur van een stortplaats failliet. Dan ontbreekt waarschijnlijk het geld om de stortplaats af te dichten en is de nazorgpot nog maar half gevuld. De provincie zit dan met de gebakken peren.
Ook zonder die aderlating van 300 miljoen extra voor de nazorgfondsen zitten de stortplaatsexploitanten in zwaar weer. Onderzoek uit 2010, in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, voorspelt dat het verlies van de stortsector in 2018 kan opgelopen tot 236 miljoen euro. Het rapport ging nog uit van andere winstgevende afvalactiviteiten, maar inmiddels staan ook die onder druk.
Hoe gaan stortplaatsexploitanten de rekening betalen? Krom,  voorzitter van de Afdeling Storten van de Vereniging Afvalbedrijven (VA), rekent voor: “Jaarlijks wordt 1,5 miljoen ton afval gestort. Om met die hoeveelheid in bijvoorbeeld 15 jaar 300 miljoen euro terug te verdienen, moet je minimaal 15, misschien 20 euro op je tarief zetten.” Dat acht hij in de krimpende vrije markt van het storten onhaalbaar. “Iedereen wil een steeds groter deel van een steeds kleiner wordende koek. De richting van de tarieven is afgelopen jaren alleen maar naar beneden geweest.”

Investeringen

Louwman van Indaver Nederland vindt het te vroeg om een streep door investeringen te zetten, maar zegt wel: “De stortsector kan dan minder innovatief aan de gang.” Een soortgelijke vrees heeft Versluis: “Gaan de kosten omhoog, dan zullen we meer naar de stortplaats moeten kijken vanuit een risicoperspectief dan vanuit een innovatief perspectief.” Als treffend voorbeeld noemt hij duurzaam stortbeheer, een methode om veilige stortplaatsen achter te laten aan volgende generaties. Momenteel worden pilots voorbereid op drie stortplaatsen. Pakken de proeven positief uit, dan levert de innovatie een aanzienlijke kostenbesparing op. Het zou immers betekenen dat eeuwigdurende nazorg niet meer nodig is. De pilots vragen echter wel een investering. “Om dat te doen moet je zeker weten dat je op andere fronten geen grote risico’s loopt”, aldus Versluis.
Krom wijst op het principe van gelijke monniken, gelijke kappen. Bij de totstandkoming van de Nazorgwet hebben de provincies afgesproken dat ze op dezelfde wijze doelvermogens berekenen en dezelfde rekenrente hanteren. Gaan provincies nu hun eigen weg, en daar lijkt het op, “dan krijg je gigantische concurrentieverschillen.”
In een poging het onheil af te wenden heeft de VA de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu verzocht de Nazorgwet te evalueren en de financiële aspecten onder de loep te nemen. “Moet je al die provincies apart laten beleggen met het nazorgfonds?” vraagt Krom zich onder meer af. Volgens hem kunnen de provincies hun krachten beter bundelen in een ‘centrale beleggingsclub’. “Dat leidt tot meer expertise, slimmer beleggen en een hoger rendement.” Tegelijkertijd heeft de VA brieven naar de provincies verstuurd. Krom: “Wij vragen daarin om voorlopig de rekenrente op 5,06 te houden.”

"De stortsector kan dan minder innovatief aan de gang."
Peter Louwman - Indaver
"Het risico is dat stortexploitanten failliet gaan."
Bert Krom - Afvalzorg
"De provincies zijn te voorzichtig."
Edwin Versluis - Attero