Afvalstoffenbelasting stuit op breed verzet

Belastingplan schaadt Nederlandse economie

Artikel - 02 oktober 2014

Een breed front van bedrijfsleven en gemeenten is fel gekant tegen de op Prinsjesdag aangekondigde afvalstoffenbelasting. Vergroening blijft uit en de Nederlandse hoogwaardige recycling- en afvalinfrastructuur is met het plan in het geding. Zonder exportheffing lekt afval weg naar het buitenland ten koste van economie en werkgelegenheid. In feite schrapt het belastingplan het nieuwe begrip ‘circulaire economie’ weer uit het woordenboek.

Door Pieter van den Brand  ©Copyright

Het vermeende 'gouden belasting-ei' dat staatssecretaris Eric Wiebes van Financiën in april legde, heeft inmiddels twee dooiers gekregen. 'Vermeend' want de herinvoering van de stortheffing levert niet de gehoopte 100 miljoen euro op in 2015. Wiebes is de laatste om dat te ontkennen, want de bewindsman schrijft het zelf in juli aan de Tweede Kamer. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) kreeg de taak de fiscale opties nog eens door te nemen en met een breed gedragen advies te komen. Op basis daarvan komt Wiebes met een extra belasting, ditmaal op restafval van burgers en bedrijven dat wordt verbrand en gestort. Invoering: 1 januari 2015. Ook al concludeert het PBL dat de herintroductie van de stortheffing onverstandig was, toch blijft deze gehandhaafd. Beide heffingen komen in één constructie, waarin ze door de afvalbedrijven zelf - stortplaatsen en afvalenergiecentrales - moeten worden geïnd. Het lijkt de staatssecretaris zo al ingewikkeld genoeg. Een heffing op het afval dat naar het buitenland gaat zou de afvalstoffenbelasting aanmerkelijk gecompliceerder maken en tot problemen bij de handhaving leiden, schrijft Wiebes aan de Kamer. Het PBL adviseert de staatssecretaris juist wel een exportheffing in te stellen. Bij een heffing op verbranden kan dat wenselijk zijn om concurrentienadeel te voorkomen, aldus het PBL. Wiebes legt de boodschap naast zich neer. Ook in zijn Kamerbrief heeft hij het er niet over.

Lees meer »

De geschiedenis leert dat het uitblijven van een exportheffing aanwijsbaar schadelijk is voor de Nederlandse economie en aantoonbaar minder belastinginkomsten met zich meebrengt. Nog geen tien jaar terug gaf een stortheffing op brandbaar afval het Nederlandse afval vleugels. Miljoenen tonnen verdwenen over de landsgrenzen. Een inventarisatie van de Vereniging Afvalbedrijven leert dat er met ingang van januari 2015 zo’n 1,4 miljoen ton bedrijfsafval beschikbaar komt, dat vrij aan te trekken is op de zogeheten spotmarkt. In Duitsland met een overcapaciteit van drie tot vijf miljoen ton, kijkt men gretig uit naar het Nederlandse afval. Het aflopen van gemeentelijke verbrandingscontracten zal de komende twee jaar nog eens 800 duizend ton afval van huishoudens tot een potentieel exportproduct maken. Dat brengt het totaal op 2,2 miljoen ton, een derde van het binnenlandse aanbod. Het handhaven van een exportheffing is niet zo ingewikkeld als Wiebes doet voorkomen. Het aantal partijen dat de afgelopen vier jaar een vergunning heeft gekregen voor de export van brandbaar afval of een mix ervan, bestaat uit slechts een tiental bedrijven en is prima te overzien, aldus de afvalsector. De Belastingdienst heeft eenvoudig toegang tot de gegevens van deze bedrijven.

Belastingplan schaadt Nederlandse industrie

Onverstandig

De manier waarop de afvalstoffenbelasting ingevoerd dreigt te worden is simpelweg onverstandig. Dit schrijven de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), VNO-NCW, TLN, Vereniging Afvalbedrijven, NVRD, BRBS Recycling, NVPG, FHG en VERAS in een brief aan staatssecretaris Wiebes van Financiën. De heffing is niet vergroenend en zelfs schadelijk voor de hoogwaardige Nederlandse afval- en recyclingindustrie, stelt CEO Cees van Gent van Van Gansewinkel Groep. "Onze branche wordt door dit beleid op achterstand gezet, doordat er reststromen weglekken naar het buitenland. Als sector hebben we ons conform de afspraken met de vorige staatssecretaris open opgesteld, om tot een breed gedragen beleid te komen om invulling te geven aan de aangekondigde belasting. De branche denkt constructief mee en geeft goed uitvoerbare adviezen. Vervolgens komt er een wetsvoorstel dat cruciale elementen links laat liggen. Ook het rapport van het PBL, dat een exportheffing belangrijk vindt, wordt voor kennisgeving aangenomen. Dan neem je de branche niet serieus en zie je niet hoeveel waarde deze branche toevoegt aan de BV Nederland."
De afvalsector gaf eerder aan dat de belastingplannen geen of slechts een zeer beperkt vergroenend effect hebben. Het PBL onderkent dit in haar rapport. Het is dus primair een belastingverhoging die zijn doel voorbij lijkt te schieten, als door het ontbreken van een exportheffing tonnages onbelast over de grens verdwijnen. In feite wordt de export van Nederlands afval door de overheid zelf financieel bevoordeeld tegenover binnenlandse verwerking. Vandaar dat de afvalsector bepleit direct bij de invoering een exportheffing in te stellen. Oostenrijk en België kennen bijvoorbeeld wel een dergelijk instrument. De uitvoering van de exportheffing wordt er efficiënt ter hand genomen. Bizar is overigens dat D66 de partij is, die dit voorstel heeft ingebracht. Een voorstel dat ertoe leidt, dat afval over de grens verdwijnt en in het buitenland mogelijk laagwaardiger wordt verwerkt. Dat past totaal niet in de meer inspirerende boodschap van de groen-liberale partij in Nederland een grondstoffenrotonde tot stand te brengen. En ook niet in het beleid Van Afval Naar Grondstof (VANG) van staatssecretaris Wilma Mansveld van Infrastructuur en Milieu. Het grondstoffenbeleid wordt in zijn fundamenten ontwricht, als reststromen die ons land nog wil sorteren en duurzaam met energieterugwinning wil toepassen, straks over de grens verdwijnen.
Een constatering die ook Van Gent maakt: "Men zegt het belang van recycling te onderkennen, maar op deze manier geef je grondstoffen en brandstof weg. Zonde voor alles wat we in Nederland hebben opgebouwd. Als het kabinet toch die 100 miljoen wil halen, betalen bovendien uiteindelijk de burgers de rekening via hun afvalstoffenheffing."

Zonder exportheffing verdwijnen miljoenen tonnen afval over de grens

Gemeenten

Een verwachtingspatroon dat Kees Jan de Vet, lid van de Directieraad van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), kan onderschrijven. "Een doorberekening van 13 euro per ton restafval resulteert alleen maar in hogere kosten voor gemeenten die deze zullen doorberekenen aan de burger. Leg als gemeente maar eens aan je burgers uit dat een verhoging van de lokale afvalstoffenheffing een gevolg is van een fiscale maatregel van het Rijk." Jaarlijks, rekent de VNG-directeur voor, hebben gemeenten te maken met 3,1 miljoen ton ongescheiden huishoudelijk restafval en 0,9 miljoen ton restafval dat ontstaat na nascheiding. "Over die 4 miljoen ton moeten gemeenten een verbrandingsbelasting van 52 miljoen euro gaan betalen. Dit levert vooral in gemeenten met meer hoogbouw - met een aanzienlijk lager scheidingspercentage - een plus op de afvalstoffenheffing op. Ik denk aan ongeveer 10 euro per huishouden met uitschieters naar boven in de grootstedelijke gebieden." De Vet steekt zijn ergernis over de afvalstoffenbelasting niet onder stoelen of banken. "Deze heffing, die in 2015 zal leiden tot 52 miljoen euro boven op de gebruikelijke kosten voor het verwerken van huishoudelijk restafval, staat dus haaks op de gezamenlijke doelstelling van Rijk en gemeenten om de lokale lasten te beperken."
Het gemis van een exportheffing zal ertoe leiden, weet De Vet, dat een deel van de Nederlandse gemeenten het restafval in het buitenland zal laten verwerken en zij daarover dus geen belasting verschuldigd zijn. De (toch al beperkte) vergroenende prikkel die van de belasting moet uitgaan, treft daarmee voor deze gemeenten geen doel. "Doordat de export van restafval niet wordt belast, zal het voor gemeenten in het grensgebied mogelijk aantrekkelijker zijn om restafval te exporteren. Als zou blijken dat de heffing zoals die in 2015 wordt ingevoerd, aanleiding is voor toenemende export van afval, dan zouden de tarieven daarop voor 2016 kunnen worden aangepast. Hiermee schiet deze maatregel zijn doel om te vergroenen voorbij." Gemeenten en bedrijfsleven hebben volgens De Vet vanaf de start van het traject waarin het alternatief voor de huidige stortbelasting werd onderzocht, al gepleit voor het onderzoeken van meer vergroenende maatregelen.
CEO Van Gent van Van Gansewinkel Groep wil erop aandringen de eerder in april ingevoerde heffing op storten in te trekken, "want dat werkt zeker niet vergroenend. Er wordt immers al geen te verbranden of recyclen materiaal meer gestort. Dat hebben we zo vastgelegd in Nederland via de stortverboden. We storten in ons land nog maar drie procent van ons afval. Zo ver zijn we al met recycling. De stortbelasting werkt dus alleen maar kostenverhogend. Ook maakt het recycling duurder, want recyclers maken extra kosten om hun recyclingresidu, een vijfde van het afval doorgaans, naar de stortplaats of de afvalenergiecentrale te brengen."

'Schrap de fictie'
De belastingplannen van staatssecretaris Wiebes bezorgen de afvalsector een boel administratieve lasten. De overheid gaat ervan uit dat alle afvalstromen die de poort van de stortplaats en de AEC passeren en de weegbrug opgaan, worden gestort en verbrand. Dat heet de 'fictie'. Naast afvalbedrijven die een verhoudingsgetal mogen toepassen zijn er bedrijven die voor het volledige aanbod belasting moeten innen. Een groot deel van de afvalstromen wordt echter gescheiden, opgewerkt en nuttig toegepast. Dat gebeurt in uiteenlopende installaties en technische processen en door tal van bedrijfsonderdelen, vaak zelfstandige rechtspersonen waarin soms ook andere partijen een belang hebben. De afvalstoffenbelasting geldt alleen voor de daadwerkelijk gestorte en verbrande tonnages. Bedrijven moeten dus achteraf een correctie toepassen, ook de bedrijven waarvoor een verhoudingsgetal geldt. "Een tijdrovende en kostenverhogende exercitie", zegt directeur Bert Krom van NV Afvalzorg, dat reeds ervaring heeft met de stortbelasting. "We moeten de bewijslast leveren in de administraties van alle rechtspersonen die we hebben. De enige reden die ik hiervoor kan bedenken, is een gebrek aan vertrouwen. De fiscus is vermoedelijk bang dat we er een rommeltje van maken, maar ondertussen hebben we met een complexiteit van doen die erg veel tijd en geld kost. Wij zeggen: schrap de fictie! Kijk in de boekhouding van de stortplaats en de AEC, niet in die van andere rechtspersonen, en zie wat er gestort respectievelijk verbrand wordt. Reken daarop af."

Ingrijpen

Aan de Tweede Kamer schrijft staatssecretaris Wiebes dat hij bij een ‘substantiële toename’ van de export van afval, mocht dat uit de monitoringsgegevens van het Landelijk afvalbeheerplan (LAP) blijken, zal ingrijpen. "Dat is te laat", verzucht bedrijfsdirecteur recycling Hein Grafhorst van Omrin. Bij de maatregelen die de bewindsman in petto heeft, zet hij grote vraagtekens. Wiebes wil vanaf januari 2016 de tarieven voor het verbranden van afval verlagen en die voor het storten verhogen. "De staatssecretaris slaat de plank mis. Dit is een grove, onjuiste taxatie van de markt. Jaarlijks wordt er 1,84 miljoen ton afval gestort en 7,5 miljoen ton afval verbrand. De staatssecretaris zal de storttarieven flink moeten opvoeren, wil hij geen inkomsten verliezen. Deze onbalans zal de staatssecretaris in de problemen brengen, want hij weet zelf dat het duurder maken van storten een zinloze maatregel is die geen vergroening oplevert en de stortsector, die in zwaar weer zit, nog verder de put in zal duwen." De gevolgen zijn niet alleen rampzalig voor de afvalsector, voorziet Grafhorst: "De overheid zal op haar beurt niet alleen inkomsten voor de staatskas missen. Door de exportvlucht wordt de 100 miljoen euro zeker niet gehaald. Maar ook de bijdrage van de sector aan de doelstelling van 14 procent duurzame energieproductie in 2020 zal de overheid kwijtraken, en die is met een aandeel van 18 procent aanzienlijk."
De belastingmaatregelen voorzien daarbij niet in een overgangsregeling. Grafhorst: "Een aantal afvalbedrijven heeft verschillende vestigingen. Brandbaar residu wordt op tal van locaties opgeslagen, niet alleen op het terrein van de AEC. Daar is niet altijd voldoende capaciteit." Opslaan van afval is nodig, aldus Grafhorst, want dat geeft flexibiliteit. Bedrijven kunnen zo inspelen op de vraag in de markt, op seizoensinvloeden en onderhoudstops van de AEC’s. In de zomer, wanneer er minder afval is, kan het aanbod dan stabiel blijven voor de AEC’s, die ononderbroken in bedrijf zijn om ook continu elektriciteit en warmte te leveren. Het restafval dat vóór de komende jaarwisseling bij AEC’s aangeboden wordt maar op een andere locatie wordt bewaard, moet nog door de poort van de AEC. Als dat volgend jaar pas gebeurt, kunnen zij daar niet meer de belasting voor innen, maar moeten zij die wel afdragen. "Ze worden dus met hoge kosten opgezadeld, die ze niet meer op de ontdoener kunnen verhalen. Met een overgangsregeling voor het gebufferde afval kun je dit effect tenietdoen. Het voorkomt ook dat er in eigen land oneerlijke concurrentie ontstaat, omdat de ene AEC meer afval op de eigen locatie kan opslaan dan de ander. Dat is nou eenmaal een gegeven", zegt Grafhorst.
Omdat de plannen van het kabinet de afvalsector op een forse concurrentieachterstand zetten in Europa, voorziet Jeroen Lammers, teammanager fiscale zaken bij VNO-NCW en MKB-Nederland, een groot verlies aan werkgelegenheid als recyclingactiviteiten worden gestaakt of voortaan over de grens worden verricht. "Er komt veel afval naar Nederland toe, omdat we het afval hier blijkbaar beter, goedkoper en efficiënter kunnen verwerken. Dat is het resultaat van goed ondernemerschap. Goed voor onze economie en goed voor de werkgelegenheid. Nu gaan we een belasting invoeren die dat goede ondernemerschap doorkruist. De overheid maakt het straks aantrekkelijk afvalstromen naar het buitenland te verleggen. Voorwaarde voor een milieuheffing is juist dat deze de concurrentiepositie van bedrijven in binnen- en buitenland en zelfs binnen de eigen sector niet schaadt. Met een Nederlandse alleingang met kleine heffingen bereik je in het grote Europese geheel niets. Het is niet vergroenend en je prijst jezelf als land alleen maar uit de markt." Lammers pleit voor een evaluatie van de maatregelen, binnen een termijn van twee jaar. "Als blijkt dat deze plannen niet werken, en dat vermoed ik stellig, dan moet je ermee ophouden."

 

 

"Deze heffing staat haaks op de gezamenlijke doelstelling van Rijk en gemeenten om de lokale lasten te beperken."
Kees Jan de Vet - VNG
"De overheid voert een belasting in die goede ondernemerschap doorkruist."
Jeroen Lammers - VNO-NCW
"Onze branche wordt door dit beleid op achterstand gezet, doordat er reststromen weglekken naar het buitenland."
Cees van Gent - Van Gansewinkel Groep
"De bijdrage van de sector aan de doelstelling van 14 procent duurzame energieproductie in 2020 zal de overheid kwijtraken."
Hein Grafhorst - Omrin
"Wij zeggen: schrap de fictie."
Bert Krom - NV Afvalzorg